Archeologie onder het Labyrint

Tijdsbeeld voor Knossós

Zonder begin of eind vormt de tijd
een totaalbeeld waar het aan ons ontbreekt:
op de millennia oude voorhof
volgt de slagschaduw van een boom
de zonovergoten dag. Elke naam
die ik probeer te noemen vormt mijn tijd,
de boom kan natuurlijk zonder naam.
De stam van de boom is wit gekalkt
om de etenstijd van geiten te verstoren.
De heuvel op de achtergrond is oeroud,
de boomgaarden zijn van heuglijker tijden.
Woest licht werpt schaduwen en slijt
met eindeloze onverschilligheid nacht
in het bestaan, verbrokkelt muren,
verwaarloost fresco’s, desoriënteert
de blik in dit labyrint van tijd.


Het bouwwerk was vervallen, vergeten
en weer opgegraven, terug in verhalen.
In dit tijdsbeeld past slechts het verzoek
een bijdrage te vormen aan dit alles,
een beeld te vormen dat mij verder stuurt.
Een processie van toeristen loopt door het beeld
achter hun gids aan naar het beloofde paleis,
ik volg hen naar de restanten van Knossós.

De boom blijft achter in het vroege licht
om uit te groeien tot een mysterie:
in jong groen blad springen licht
en schaduw over elkaar heen
in het spel dat ons dateert.


9 mei 2009
Lees verder


De eerste vrouw

Een man had niets beters te doen.
Had hij een wijfje? Had hij jongen?

Zijn spoor toont dat niet. Dat spoor
vormt hoogstens de eerste zichtbare stap

in het vruchteloze gebied
dat wij later zijn gaan ontginnen.

In een volk van rendierjagers kon hij
lijfelijk worden gemist,

hij was de werktuigmaker
die vuursteen wist te bewerken tot pijl.

De jacht en de jaarlijkse trek
zullen hem niet hebben getrokken

en na de laatste ijstijd moet hij veel
koude tijd hebben gezien

in het kamp op de zandgronden
waar zij wisten te overleven.

Op de slagsteen die hij overal
met zich meedroeg kraste hij maar

de vroege vormen van een vrouw:
vage armen en benen zetten

een vage dans in, op het gereedschap
danst de vrouw voor zijn ogen.

De jacht heeft zich verplaatst sindsdien.
Een verre voorloper wierp zijn spoor

vooruit in de Lage Landen,
een vroege homo poëticus.


paleopoëzie

niet om te beginnen een kras

een eerste kras na nog een kras
op de rode steen
in de hand

en nog een kras

en nog een
net zo of niet

buiten de grot niets
dan zee en licht

in de grot
slaap en donkerlicht

niet om verder te gaan een kras
met de punt in zacht steen
in de hand

rode steen met krassen
een kras niet als die
een kras niet als deze
tussen de eerste krassen

in het oog van de grot
niets dan zee en blauw

krassen net als deze
krassen net als die

in het oog van de grot

rode steen en zee en blauw





Monument bij Carnac

* I *

geen opgestoken vingers
geen reuzenzetels

geen gebit van goden
vol afgebroken stompen

geen borstwering tegen de tijd
geen ritueel van onwetendheid



* II *

de menhirs bij Carnac slingeren
zich eeuwig met wit korstmos

in onnavolgbaar lange lanen
over opeenvolgende heuvels

als prehistorische sporen
van wie en waarom



* III *

als in een zinloos lijkende eigentijdse vergelijking
trekt elke menhir met zijn individuele vorm

geen aandacht in het versteend geheugen
van de golven van opeenvolgende generaties




* IV *

of ze jaarlijks een steen
oprichtten om iets te vieren

of ze jaarlijks iets vierden
na hun opgerichte steen

of ze jaarlijks een steen
oprichtten om te vieren

de generatie van menhirs
werkte door in eeuwen



* V *

welke elementen eisten
meer tijd dan het bestaan

wat een samenwerking eiste
hun voorstellingsvermogen

het vermogen in het festijn
boven hun macht te tillen



* VI *

generatie van menhirs
onbehouwen rots ontroert

als het versteend vermogen
van wie en waarom



1 maart ‘99