Jan Dullemond Welkom

Wat mooi is

Kan het Rotterdamser: de mens
werkt aan de omgeving die hij krijgt,
poëzie meer dan medemens.

Maar dan, wat is poëzie nog: een kreet,
atrofie geregeld op een muur,
met een beat op sterven na dood?

Mijn omgeving is mij lief
en opent mij de ogen,
de medemens is in gesprek.

Hier is de omgeving een vermogen,
uiterlijk raakt innerlijk
en omgekeerd, werk in uitvoering

waar Erasmus de stroom overbrugt
van vroeger naar vooruitzicht, aan de Maas
werken de oevers nieuwe tijden uit,

de zon komt op tegen de skyline,
verkeer heeft haast op de Maasboulevard,
de stad wil snel aan het werk.

Rotterdam vult zich met aandacht
voor de komende dag en ziet
in tussentijd: wat mooi is vraagt werk.



Welkom

Wie meer dan dertig jaar gedichten schrijft bouwt aan een labyrint van poëzie. Verbindingen tussen de gedichten worden zichtbaar. Thema’s, motieven, obsessies komen steeds weer terug. Het wordt duidelijk dat gedichten schrijven en lezen vooral tot ronddwalen leidt. Overslaan wat niet aanspreekt, terugkeren naar wat zich in het geheugen heeft genesteld. Vragen die opkomen en om een antwoord vragen. Antwoorden die er in poëzie zelden of nooit zijn. Het gaat vooral om plezier, schoonheid en onze dagelijkse ervaring

Deze website heeft de trekken van een Labyrint. Wie de kortste weg neemt naar de uitgang, laat een ruïne van gedichten achter. Wie de tijd neemt om rond te dwalen en af en toe terug te keren, zal het Labyrint uit zien groeien, ook in zichzelf, in zijn of haar ervaring van de gedichten. Zij of hij zal dan ook ontdekken dat het lezen van gedichten geen gang van begin naar eind is, maar een vorm van ronddwalen door het werk van de dichter. En door het eigen bestaan.


Ana Rottaa

Wi heton thiusa aa Rottaa
wanda siu is dunkar endi rotta.
Ik zou niet weten waarom de Rotte zo heet,
in onze tijd, de naam stroomt uit het verleden
en of ze donker en troebel is zien wij niet.
Jullie zijn de bron van haar naam,
de Rotte die nu ondergronds gaat
voor ze uitmondt in de Maas.

Begrijp ik je goed, over de eeuwen heen,
kwamen we ooit allen niet van hier?
En of we familie zijn of niet, wie weet,
onze spraak zegt van wel, ver verwant.
Geboren aan de Rotte, uitzicht op de Maas,
thiusa hem is thorp onsaro, toen,
nu is deze nederzetting onze stad.
Wat bindt ons meer op deze plaats?

Jouw grootouders, mogelijk
mijn voorouders, kwamen uit het zuiden
op platte boten met hun vee en have
toen hun dorp werd overstroomd door vloed.
Later kwamen anderen, mogelijk
mijn voorouders, uit andere streken,
aver nu sprekunt sie ok unsin tongon,
met nieuwe woorden en eigen tongval.
Soms kwamen ze alleen voor de markt,
wanda hiera sint vila littila viska,
so also grondelinc endi padalinc.

Welke tijd we delen op deze plaats?
Ana then uoveron is thiu ertha vet.
Wi weithinon thin skap endi thie runthir.
We hebben leeftijd als water,
maar vergeet het licht niet
dat ons in thuisternusse laat kijken,
forchta quamon ouer mi.

Tijd stroomt in andere beddingen en vaarten.
Je zou verdwalen in dit Rotterdam,
afwezig alles wat je kent, stilte,
geruis van bomen, vee dat loeit, mekkert of kraait,
uitzicht over de Rotte en de drassige landen.

Wat zouden verkeersstromen met je doen,
werktijden en verwachtingen, vakantie
om de tijd van zijn verloop te ontdoen,
vrijheid, welvaart die ons laat vliegen
en het verschijnsel van nieuwe sterren?
Visc swam in themo uuatere,
vis zwom in deze wateren, ja, nog steeds,
onwetend van eb en vloed en de zee.
Thiu werilt is hiera vilo hardo, wir vorhton
that wi ie van unsin thorpe ave muotin gan.

Wie zal mij veren geven als duiven,
zodat ik weg zal vliegen, is je vraag
als oudste dichter in onze spraak.
Heeft ons werk iets meer nodig
dan water, licht en wat woorden
als zwanen zich over het water
de lucht in trappen voor hun vlucht
boven het stroomgebied van de Rotte.





24-30 mei 2020

Poëzie aan de Rotte

Hoe ken je dat nou uitleggen aan een niet-Rotterdammer? Leg jij daar niet wakker van dan?
Je haalt de Rotterdammer er zo uit, door zijn ABR, Algemeen Beschaafd Rotterdams.
Duizend jaar geleden klonk onze taal heel anders aan de Rotte. Maar met enige moeite is onze taal toch al te herkennen. Wat hebben we gemeen met deze proto-Rotterdammers? Is het de taal die ons bindt, of de plaats, aan de Rotte? Er is poëzie voor nodig om die vraag te kunnen bekijken.