Het ei van Brancusi

 

 

 

 

paleopoëzie

 

niet om te beginnen een kras

 

een eerste kras na nog een kras

op de rode steen

in de hand

 

en nog een kras

 

en nog een

net zo of niet

 

buiten de grot niets

dan zee en licht

 

in de grot

slaap en donkerlicht

 

niet om verder te gaan een kras

met de punt in zacht steen

in de hand

 

rode steen met krassen

een kras niet als die

een kras niet als deze

tussen de eerste krassen

 

in het oog van de grot

niets dan zee en blauw

 

krassen net als deze

krassen net als die

 

in het oog van de grot

 

rode steen en zee en blauw

 

 

 

 

 

 

Vrijstaand venster

Fenster - 1993

Isa Genzken,

Een vrijstaand venster tussen bomen

opent de beeldentuin. Ik kijk

 

plichtmatig door het venster omhoog

naar het onnoemelijk bladerdak.

 

Op het eerste gezicht hebben woorden

geen zin in het woekeren van indrukken.

 

Dan stap ik terug en zie een perk

in wat ik al zag: een blauwe lucht,

 

een warreling van bladeren en takken.

In mijn herinnering vormt het venster

 

de grens tussen bos en park.

Onbeperkt maakt, denk ik, onbemind.

 

 

 

 

 

 

Twee figuren

Two figures for Middelheim - 1993

Juan Muñoz

Twee figuren voor Middelheim

hangen als pogingen in de bomen

 

langs de laan, uitlopers van het groen

overgelaten aan hun lot:

 

het lijf nog ongevormd in hun cocon,

het hoofd kaal, de handen niet in staat

 

zich een beeld te vormen van zichzelf.

Hulpeloos is het juiste woord,

 

bronsgroene metaforen, tot de boom

veroordeeld. De laan is uitgestorven.

 

Met meer oog voor het onmogelijke

dan het natuurschoon bleef ik staan;

 

half ontpopt uit hun soortnaam zijn ze

een verzoek om verbeelding uit de bomen.

 

Ze neigen sprakeloos naar elkaar,

geduldig, tot mijn beroep

 

tegen het natuurrecht hen vrijpleit

van het toeval. Een naam vragen ze,

 

een eigennaam om zich in te ontplooien.

Een koosnaam desnoods, voor de eerste dag.

 

 

 

 

 

 

Uit tongenbomen

Tausend Zungen - 1993

Thomas Schütte

Uit tongenbomen fluisteren

geile gedachten zichzelf toe -

 

ik liep ze ongemerkt voorbij -

duizendvoudig planten tongen

 

zich voort in de natuur, liefdeloos

geluid wegstervend in het bos.

 

Mijn ervaring had zich nooit

gevormd zonder plattegrond.

 

 

 

 

 

 

Zonder titel

Zonder titel - 1993

Bernd Lohaus

Geen naam is mij gegeven

op de rand van zelfgenoegzaam.

 

Van stand gewisseld: uit steil groen

gekapt tot horizontale vraag,

 

beschaafd geplaatst, parallel,

rechte hoeken, onherroepelijk

 

ontworteld uit zijn antwoord;

materiaal, nietszeggend op zoek

 

naar een naam: balken, bielzen, sculptuur,

landschapskunst. Naast een flauwe

 

helling schept de vage rechthoek

ruimte in meer van hetzelfde.

 

Ik vorm een mogelijke naam,

weg van het ongeëffende.

 

 

 

 

 

 

Alles vraagt zijn tijd

Zonder titel, Antwerpen-Middelheim - 1993

Per Kirkeby

Alles krijgt zijn plaats: kamers, portalen

en tussenruimte - dakloos;

 

baksteen is het element van muren

zonder titel. Natuur is ver te zoeken

 

in dit eerste beginsel, dit gebouw

is onbewoonbaar gebouwd. Moet ik mij

 

uitspreken over de besloten ruimte?

Alles vraagt zijn tijd: welke ronde toren

 

spiegelt een vierkante kamer

in het ritme van ronde vormen

 

en rechte hoeken? Ik moet rondlopen

om het bouwwerk tot symmetrieën

 

te dwingen; mijn verbeelding danst vrij

door de ruimte. De vraag begint.

 

 

 

 

 

 

Archæopterix  Lithografica

Archæopterix  Lithografica - 1993

Panamarenko

Plezier lijkt beperkt in een park

van stilte, nog niet door vogels ontdekt.

 

Een ongetooid skelet wacht bewegingloos

aan de bosrand, voorbarig zonder ei;

 

het skelet van een vertrouwd beeld - natuur

of techniek van na de verbeelding.

 

De naam wekt de schijn van kennis.

Het wacht alleen, machteloos tot lokken

 

zonder zang of pracht tot z'n beschikking.

Als een eerste oorzaak brengt mijn komst

 

het tot een dans, een balts om mijn aandacht

vast te houden met aanhoudend getrappel.

 

Met herhaling moet hij het doen.

In strijd hiermee vat ik zijn dans

 

ernstig op en geef het wat meer tijd

in een onnatuurlijke vorm van liefde.

 

 

 

 

 

 

Sferoïde

Never Mind – 1993

Richard Deacon

Omhuld door een schaal

van gepolijst hardhout

 

zoekt angst een natuurlijke vorm,

gedragen boven het gazon

 

door een metalen voetstuk.

Sferoïde moet het woord zijn

 

dat deze gazonkunst benoemt;

stilte bezweert de ruimte

 

tot de rand van het gazon.

Het is toegestaan verstomd

 

rond te lopen in een vorm

van eerbiedig bewustzijn

 

het ook niet te weten. Hier

viel het besluit te zwijgen.

 

 

 

 

 

 

Een uiterst venster

Fenster – 1993

Isa Genzken

Het struikgewas rond de poten

heeft hier nog niets mee te maken;

 

de beeldentuin woekert zich niet

door de onvoltooide tijd.

 

Dit uiterste venster

biedt een terugblik op ooit

 

benoemde bomen; uitzicht op

nog juist te determineren namen,

 

op de grens van mijn aard.

Ik zou moeite moeten doen

 

het woekeren aan de voet

te benoemen. Weer te bewerken

 

met een mond vol beperking - voldoening

scheppen in het onderscheid.

 

 

 

 

 

 

Het ei van Brancusi

 

Het Begin van de Wereld zou sinds kort

toegankelijk zijn in de Beeldentuin.

 

Helaas, zijn afwezigheid dwong mij

er opnieuw een tijd naar uit te zien:

 

met een werkwijze die uit de tijd is

zocht hij in herhaling geen voortbestaan -

 

persoonlijke trekken poetste hij weg

in marmer; zijn slapende Muze

 

groeide in tien, twintig jaar tot besef

van beperking, een marmeren ei.

 

In dit ei groeit een lied, geen embryo,

een liefdeslied dat doorklinkt als hij zwijgt.

 

Naar zijn vermogen trok hij zich terug

uit zijn schepping, als een discrete god.

 

De vorm van de mond verstomde, de neus

werd een vlaag van herkenning, en het oog

 

een vaag inzicht; het ei vormde zijn beeld

tenslotte. En uit de vorm kruipt verbeelding.

 

Zo stel ik mij voor waarover ik las

en ik luister naar een niet-lokkend lied.

 

 

 

 

 

 

Paleontografie

 

De techniek van zekerheid:

een sensor in de dode stronk

is het zintuig dat motiveert.

 

Opgewekt door mijn beweging

fladdert de Archæopterix

Lithografica, drie jaar oud,

 

in een verijdelde poging op,

een vleugel gebroken bij

een misleide paringsdaad.

 

Vlucht van de verbeelding, juist

om voortplanting te vermijden:

hier wordt niet uitgestorven

 

was het besluit, ons geslacht

bracht ons voort, maar nu

begint onze generatie.

 

Zijn beweging, hoogmoed

van zijn schepper, is

in weer en wind vertraagd

 

tot een fossiel van wil.

Dit dicht de stap

in de evolutie na het dier.

 

 

 

 

 

 

Het kunstwerk

(Jean Tinguely, Pontus, 1990

elandgewei, hout, ijzer, elektrische motor)

het gewei van een eland

danst op en neer, op en neer

 

zijn beschrijving zou wetenschappelijk

kunnen zijn als wijsheid:

 

over de as van de motor loopt een aandrijfriem

de aandrijfriem loopt over een houten wiel

het houten wiel draait rond een houten as

in de houten as draait een metalen spie

de metalen spie brengt een koppel over op een stang

de metalen spie draait omhoog

de metalen stang duwt het gewei omlaag

de metalen spie draait omlaag

de metalen stang trekt het gewei omhoog

de metalen spie draait omhoog

 

alles grijpt in elkaar als een constructie

zijn ritme brengt de werkelijkheid terug

tot de essentie van generaties

wat voorbij is, voorbijgaat en nog komt

onverbrekelijk

als een eland in zijn nageslacht

onherkenbaar

als een boom in zijn bos

onverstoorbaar

als de aarde in zijn bergen en erosie

is alles een

 

geaard op een zware metalen plaat

doet het wat hem is wijsgemaakt,

volgt blindelings de idee van zijn maker

en zet zich voort in zijn beweging

het volgt, gehoorzaam aan het werk,

zijn werkelijkheid als een mysterie

 

alles heeft zijn plaats

het meeste heeft zijn functie

hoe verbogen de stangen ook mogen zijn

hoe verweerd het hout ook is

de motor genereert

als eerste oorzaak

onstuitbaar zijn gevolgen

door de tijd,

door de verbeelding

in het gewei vallen drie generaties samen

wat voorbij is, doorwerkt en hier

heeft zijn maker spottend

zelfs niet aan gedacht

 

hier danst zijn verbeelding

niet alleen in het mysterie

dat nooit gebeurd is, gebeurt

en ooit opnieuw gebeurt.

 

 

 

 

 

 

Het ei van Brancusi

 

O, Columbus, weet een alweter

in het voorbijgaan. Geen ogenblik

 

breekt de dikke schil van gepraat;

dit probleem heft Columbus niet op.

 

Een kogel. Een bronzen ei. Een keutel.

In deze sfeer schept het werk slechts rust,

 

onaantastbaar achter plexiglas,

niet te vatten in zijn vorm van eenvoud.

 

O, wat prachtig. Zie je dat ei.

O kijk, daar heb je Mondriaan.

 

 

 

 

 

 

Het ei van Brancusi

 

Ligt hier een ei van drie miljoen,

ligt hier een verzekerde waarde,

 

ligt hier een kunstvorm klaar

van ogenblikkelijke schoonheid?

 

Hier ligt niet mijn verwachting,

hier ligt geen marmeren ei,

 

hier ligt geen fossiel van betekenis,

hier ligt geen volmaakt ei.

 

Ligt hier dan een stap in de evolutie,

ligt hier de beperking van chaos;

 

hier ligt helder wat ik weet:

de vorm is geschiedenis,

 

hij kwam voort uit een hoofd.

Hier ligt eenvoudig wat tijd kost.

 

De vorm biedt zijn beperking,

hier ligt een vermogen.

 

 

 

 

 

 

Koning en Koningin

 

Ik wacht op de zon.

Ik bedwing mijn haast.

 

De plattegrond van Middelheim belooft een overvloed

van grote namen: Rodin, Maillol, Zadkine, Renoir,

 

en dit koninkrijk van Henry Moore:

een koning en een koningin

 

op een bankje. Zonder zonlicht

maken haar handen geen indruk

 

op een foto, ben ik bang.

En zonder foto vergeet ik dit beeld.

 

Hier staat een portret van koningschap

zonder ijdelheid; hun regalia:

 

handen, houding, de richting

van hun blik. Hoe primitief

 

is hun afstand tot elkaar, hun gewaad

zonder opsmuk, geen gevolg, geen lijfwacht.

 

Slechts vanuit een bepaalde hoek

vormen haar handen juist geen detail;

 

een hand ligt in een voorzichtig gebaar

om de ander gevouwen op haar schoot

 

als een archaïsche vorm van rechtspraak,

als een uitspraak die niets te bieden heeft.

 

Voorzichtig vangt ze mijn aandacht;

met gratie laat ze mij kijken, zie ik.

 

Kunnen ze nog iets regeren

in het park? De zon, misschien.

 

 

 

 

 

 

Het ei van Brancusi

 

vorm van een lied

vorm van een mens

mens na zijn lijf

wie, na zijn gezicht

vorm van zijn stem

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In Memoriam

 

Wie heeft hem de laatste eer bewezen?

Schijnbaar zonder erg trekken

 

de bezoekers weer langs de dode stronk

aan de rand van het gazon.

 

De eeuwige natuur werd niet aangetast

en het weer bleef het weer

 

al regent het eigenlijk nooit

in de beeldentuin die achterblijft.

 

Maar in de schaduw van de beuken

schemert nog een mistroostig beeld.

 

De Archæopterix Lithografica

heeft de geest gegeven.

 

 

 

Wat fotocellen en servo’s

bezorgden het ronddansend skelet

 

een duurzaam mechanisch moment,

langer dan een leven, was de hoop.

 

De Archæopterix Lithografica

viel stil na een paar jaar

 

en nu is het skelet verdwenen

in het rondslingerend heelal.

 

Resten van een onvruchtbare poging:

in een moment van plezier

 

stierf het liefderijk voorspel

een hoopvol, mar al te duister besluit.

 

 

 

 

 

In welke tuin trappelt het fossiel nu,

krast het, kraait het, zingt het rond?

 

Of bleef het enig in zijn soort?

In het barre geheugen blijven

 

slechts de slijtende herinneringen

aan een stom, potsierlijk beest,

 

de Archæopterix Lithografica,

niet meer dan wat botten:

 

een schedel, vleugels, poten en een staart

vormden een nietig skelet,

 

als een liefdesverklaring

van twee mensen die wel beter weten.

 

 

 

 

 

Klaar om te springen, altijd, met

zijn klauwtjes op de rand van de stronk,

 

de Archæopterix Lithografica

tuurt omlaag om te zien

 

of zijn skelet de aandacht vangt

van een opkijkende liefhebber

 

die het met opgewekt gefladder

zal belonen voor dat moment

 

tot het hem, door een gemis aan veren,

uit enthousiasme bespringt.

 

Evolutie maakte van plezier

een hink-stapsprong over de stronk.