Een tijd na de oerknal

 

 

 

Een tijd na de oerknal

 

Tijd is de filosoof

die schrijft over tijdnood,

over verloren tijd;

tijd is twee leesminuten,

tijd is driehonderd woorden;

tijd is de themaweek

met afsluitend forum.

 

Beschaafd tikkende klokken

prijzen hun tijdverloop.

Tijd aapt het forum na,

vijf mannen aan een tafel

met vijf tijdloze tijden:

historische constructie,

economisch proces,

subjectieve factoren

en hart-ritme stoornis –

tijd is een paradox.

 

Tijd is een waan van kennis.

Tijd dobbelt graag en tijd

gelooft niet in de klok

maar krimpt twee leesminuten

in tot oerknal en schepping.

Tijd vormt zich zo een beeld.

 

De oertijd is strakblauw.

Tijd spuit dan een fontein,

een waterparadijs,

de blauwe hemel in,

inclusief regenboog,

want tijd is sentiment,

de liefde van een dier.

Tijd groeit op in een bos

en volgt een laan, naamloos,

donker en zonder eind.

Tijd heeft geen commentaar.

 

Als tijd ritme toestaat

wordt er een lied gebruld:

de duivel danst op tijd

hij danst op zijn verjaardag

hij danst de hele dag

 

de duivel danst op tijd

we vieren zijn verjaardag

de meester van de dans

 

de duivel danst op tijd

hij danst tot zijn verjaardag

zo danst hij elke dag

 

de duivel danst op tijd

 

Tijd heeft een hard gelag,

de duivel luistert graag.

 

Pas in het labyrint

pakt Tijd de draad weer op –

was er sprake van liefde?

Hij bekijkt nieuwsgierig

fresco’s en mozaďek;

hij ziet dolfijnen springen,

een bruiloft aan de gang,

de bruid danst met een faun;

hij ziet een bloementuin

met goden en vogels

onder een sterrennacht,

in de verte een stad,

een geel schemergewelf.

 

Is het labyrint eindig

of dijt het eeuwig uit?

In het labyrint dwaalt

de vraag door het antwoord.

De maker lijkt gevlogen,

de Minotauros slaapt.

 

 

 

 

 

 

1999 en daarna

 

Nog nat aan een vreemde kust;

november, ik droog in een trage zon.

 

De zee zuigt ratelend kiezel mee

en bruist dan schuim over het zand.

 

Ik hoor hoe het ooit begon

en weer begint. Of hoor ik een citaat?

 

Golven klotsen aan het zwarte strand.

Golven klotsen in alle rust

 

terwijl een man tegen de stilte praat.

Dan vloekt hij tegen de zee.

 

 

 

 

 

 

Prometheus en de elementen

 

Golven en schuimkoppen,

een loodgrijze zee tot de horizon,

 

tot de zon doorbreekt in de storm

en de zee schitterend verdergaat.

 

Een regensluier verduistert de zon.

De zee is van korte duur.

 

Modder stroomt over de straat;

het wolkendek onttrekt de bergtoppen

 

aan het oog. Dit krachtsvertoon staat vuur

slechts toe in onblusbare vorm.

 

 

 

 

 

 

Epifanie op Kreta

 

Het is Epifanie vandaag, zes januari

en de pope van het dorp loopt aan het hoofd

van een lange wanordelijke stoet naar zee,

het onbenut vlees zweet onder het eigen gewicht.

Op het strand trekt een jonge man zijn kleren uit

en staat rillend te luisteren naar de gebeden,

de psalmen en het gezang van het dorpskoor.

Dan werpt de voorganger een houten kruis in zee

en de pope trekt hem aan een koord weer op het strand,

en weer werpt de voorganger het kruis in zee

en weer trekt de pope hem aan het koord terug.

Na een laatste gebed offert de pope

opgewekt zelf het kruis aan de zee.

 

De jongeman rent het water in, duikt onder

en brengt het kruis weer aan het oppervlak,

hij zwaait lachend met het goddelijk voorwerp.

Het dorp stroomt op hem af en stopt hem drachmes toe

voor het bezielend begin van het nieuwe jaar.

 

Op het balkon strijkt een vogel neer,

muisgrijs met een witte borst,

uit Afrika teruggevlogen.

Dit vogeltje zien als epifanie

toont alleen een diepere orde

die onverbiddelijk doorwerkt,

een vóóraankondiging van lente

en eventueel ongelooflijke kou.

Als het opvliegt spreidt het zijn staart

tot een bruinrode waaier en is weg.

 

Zoals het schommelend meisje sprakeloos schommelt

en de vogels welluidend op de schommel neerstreken

werkten twee handen zich ooit uit zicht

in terracotta: uit klei schommelt ze stil

een onbezorgde tijd te voorschijn.

 

 

 

 

 

 

Kinderspel aan zee

 

Haar vriendinnetjes wagen zich

aan de onvoorspelbare vloedlijn,

aarzelend naar het witte schuim.

Maria, luister je. Maria!

 

Maria kijkt ernstig, naast het strand

met haar schoenen in de hand,

staat ze klaar voor het samenspel.

Maria, klinkt het luid, Maria!

 

Haar vriendinnetjes wachten

een valsspelende golf af

voor hun struikeldans terug.

Maria, fluistert het, Maria.

 

Als het schuim terugtrekt

betrappen ze ongestraft

voetje voor voetje het gevaar.

Maria, schelt het door haar hoofd.

 

 

 

 

 

 

Yorgos en de zee

 

Als hij zijn armen spreidt

tippen zijn vingers aan de zee,

maar de kleuren liggen niet vast

als hij zijn armen spreidt

en de golven spoelen over het strand;

als hij zijn armen spreidt

zet de zee zacht ruisend in.

 

 

 

 

 

 

Afrodite

 

Nu buiten ons huis de zee begint,

begint in mij de angst

voor de oceaan zonder oever

die niet denkbeeldig zal zijn -

nee, niet de angst die stormt en losslaat,

het is angst die kusten schept uit zee.

In ons huis duikt het strand al op

uit de omstrengelende zee,

de eerste duinenrij in de zon,

de zee een diepblauwe herinnering,

en als de zon onder gaat

stapt een godin vol hartstocht aan land,

wat lacht ze als ze mij hier treft.

 

 

 

 

 

 

Muren en een poort

 

Geen muziek der sferen. Niets

dan oorspronkelijke chaos. Geen beeld

 

van tijd of ruimte. Geen wil. Geen woord.

Geen blik. Geen oerangst in de nacht.

 

Geen kans op licht verdeelt

het krioelen, nu, nu, nu, dat leeft in zee.

 

Maar op het eiland wacht

een alledaags bestaan in de zon op iets

 

meer dan dat als Daidalos zijn intree

doet met muren en een poort.

 

 

 

 

 

 

 

Daidalos

 

Slangen kronkelen door het ritueel.

Trouwens, als het labyrint

 

de ruimte stuurt door een heiligdom

van duizend zalen en gangen

 

waar niemand zich terugvindt –

door de olijfgaard onder rode lucht

 

dansen vrouwen door stilte bevangen –

volgt dit geen origineel

 

ontwerp. Bedacht ik niet juist als uitvlucht:

Bouw er toch een paleis om.

 

 

 

 

 

 

Op een fresco in het Labyrint

 

Het is winter en in het doolhof

blijven de paden onbegaan –

 

de paden zijn nauw, onder de sneeuw

zijn de heggen uitgegroeid

 

en laten nog een smalle baan

vrij met het spoor van een nakomer;

 

in de verte, onontkoombaar, gloeit

het raadsel van de binnenhof –

 

in het doolhof heerst de zomer

een zomer en de winter een eeuw.

 

 

 

 

 

 

De Grote Satiricus

 

De Grote Satiricus Mens Sana

op zijn volledig verduisterd toneel

dwingt eerbied af met zijn volta:

twee gelieven in hun nieuwe huis

geeft hij een leven in de gevolgen

van een zwak bloedvat in zijn hoofd;

de man lijkt nog sprekend op haar geliefde.

 

De Grote Satiricus Memento Mori

onthult geen liefde dan zijn liefde

op de snelweg in de rust van de nacht:

een aangeschoten bestuurder straft hij

met verlies van vrouw en twee kinderen

en een schadeclaim van de tegenligger,

zijn rijbewijs verliest hij niet.

 

De Grote Satiricus Abyssus Abyssum

beantwoordt onze vraag met een echo:

meer tijd dan de mensheid krijgt een mens;

beantwoordt onze echo met een vraag:

hecht jij je ook aan wat verdwijnt?

Als antwoord stort hij zich in zijn afgrond,

de zaal roept hem terug voor een toegift.

 

 

 

 

 

 

Wiskundig probleem

 

Hoeveel klaprozen zijn er nodig

voor een Muze de noodzaak inziet

in een veld vol klaprozen

haar borsten te ontbloten

om het plezier dat het kan.

 

Hoeveel dichters zijn er nodig

om in een veld vol klaprozen

een Muze terug te roepen uit

tijden van aanhoudende jeugd

om het plezier dat het kan.

 

Hoeveel Muzen zijn er nodig

die in een veld vol klaprozen

hun borsten ontbloten om

een dichter in dit beeld te lokken

met het plezier dat het kan.

 

 

 

 

 

 

Liefdesdronk

 

Kom, mijn lief, drink

mij keer op keer

met je dronken ogen.

 

Kom, liefste, bezat

mij nog een keer

met dat vertrouwde lijf.

 

Kom, laat nog eens

je gedachten razen

door mijn lichaam.

 

Kom, mijn lief, zuig met

je broeierige plaats

weer liefde uit mijn tijd.

 

 

 

 

 

 

Móni Diskourioú, stilleven

 

In de middagzon sproeit

een bougainvillea haar rode

bloemfontein uit over

de witte kloostermuur.

 

Een van de monniken

voltooide de compositie

met een groene container

onder de bougainvillea.

 

De groene vuilcontainer

schoffeert de schoonheid

van een rode overvloed

op de zonovergoten muur.

 

Onverschillig strooit

de zon haar licht over

muur, bougainvillea

en vuilcontainer.

 

Als het stilleven is uitgewerkt

klinkt uit de container een psalm:

 

Kijk niet te streng, op leven, op dood,

vuilnisman kom snel.

 

 

 

 

 

 

Tijdsbeeld voor Knossós

 

Zonder begin of eind vormt de tijd

een totaalbeeld waar het aan ons ontbreekt:

op de millennia oude voorhof

volgt de slagschaduw van een boom

de zonovergoten dag. Elke naam

die ik probeer te noemen vormt mijn tijd,

de boom kan natuurlijk zonder naam.

De stam van de boom is wit gekalkt

om de etenstijd van geiten te verstoren.

De heuvel op de achtergrond is oeroud,

de boomgaarden zijn van heuglijker tijden.

Woest licht werpt schaduwen en slijt

met eindeloze onverschilligheid nacht

in het bestaan, verbrokkelt muren,

verwaarloost fresco’s, desoriënteert

de blik in dit labyrint van tijd.

 

Het bouwwerk was vervallen, vergeten

en weer opgegraven, terug in verhalen.

In dit tijdsbeeld past slechts het verzoek

een bijdrage te vormen aan dit alles,

een beeld te vormen dat mij verder stuurt.

Een processie van toeristen loopt door het beeld

achter hun gids aan naar het beloofde paleis,

ik volg hen naar de restanten van Knossós.

 

De boom blijft achter in het vroege licht

om uit te groeien tot een mysterie:

in jong groen blad springen licht

en schaduw over elkaar heen

in het spel dat ons dateert

op zaterdagochtend

21 maart en

daarna.

 

 

 

 

 

 

Dag van de Arbeid

 

Onverstaanbaar plezier kwettert

door de straten van Argyroúpolis.

 

De familie Evángelos Zografákis,

de familie Nikoláos Seisákis,

de familie Stéleos Manousákis, de burgemeester,

de familie Yórgos Manousákis, van de taverna,

kinderen, ouders en grootouders,

op terrassen, op binnenplaatsen,

in tuinen en in straatjes,

vullen de lucht met de rook

van barbecues en met druk gesprek,

de hele middag van de eerste mei,

overal waar schaduw is in het dorp.

 

Onze tijd komt aan het eind van de middag.

We zijn hier toerist en op zoek

naar een bezienswaardigheid uit de reisgids:

een necropolis moet zich uitstrekken

tussen de Agia Pente Parthenes

en een tweeduizend jaar oude plataan.

Voor foto’s zijn we te laat,

de zon gaat onder achter de bergen.

 

De gids geeft ons de namen

van de vijf maagden: Thekla,

Mariamni, Martha, Maria en Enatha,

en van de stad waarvan hier

de inwoners zijn begraven: Lappa.

Drieduizend jaar geleden was het invloedrijk.

Met deze informatie moeten we het doen.

 

In tientallen uithollingen in de bergwand

zijn ondiepe graven uitgehakt,

soms in een holte één graf,

soms twee grote en één kleine.

De holtes zijn halfdonker en kleurloos,

de graven zijn leeg, of staan vol water.

Klimplanten en struiken overwoekeren

de bergwand als een groene schaduw.

 

Wat zoeken we ook op deze dodenakker?

Als we hier als toerist komen

om alles te zien wat er is te zien

vinden we uiteindelijk afwezigheid,

geen lichaam vult een graf,

geen voorwerp herinnert meer

aan de achterblijvende geliefde,

kinderen, ouders of stadgenoten.

Geen naam maskeert de afwezigheid.

 

Waar bleef de ontsteltenis van de minnaar?

Waar bleef de afwijzing van het verlies?

Waar is het plezier om elke dag

wakker te worden naast elkaar?

Waar is het vooruitzicht thuis te komen?

Waar is hun rol in de stad? Waar is hun stad?

Waar is de verbeelding die de dagen vult

met gelach en verontwaardiging,

met klaagzang en toekomst?

Wat blijft is werk. De uitgestrekte leegte

draagt het portret van de beminde.

 

Als een veld klaprozen

bloeit het hardnekkig besef op

dat wij dit alles kunnen zijn.

 

Zwaluwen vullen de avondlucht,

zoals wij in tussentijd

een eeuwenlang bestaan.

 

Onze afwezigheid straalt door de leegte.

 

 

 

 

 

 

In tenebris