Beter dan water

 

 

Naast de brug over de Guadalquivir

 

Ik heb een slecht geheugen voor details,

op foto's zie ik waar ik ben geweest.

 

Bij de naam hoort een rivier,

bij de rivier een beginnende liefde.

 

Bij die herinnering hoort een foto,

om de tijd te overbruggen, met mijn geheugen:

 

uitzicht op de Mezquita de Córdoba

en zij met een boek op de voorgrond,

 

als bekroning van dat moment, besloot ik.

Bij die brede rivier hoort haar naam.

 

Dat moment was - gelukkig - geen ogenblik

in rust, een drijvende kracht, een rivier.

 

Op het negatief werd alles vastgelegd

wat ik toen zag, de sluiter was stuk

 

bleek achteraf en er was niets te zien.

De foto is een bron van verbeelding

 

tot in detail, vier jaar later; geen beeld

van de Mezquita, van de Guadalquivir.

 

 

 

 

 

Zelfportret met Saskia

 

Wat ze aan het doen was is vergeten.

Rembrandt lijkt uitgewerkt, ze keek op,

hij zat afwezig stil. Maar zijn ernst

is spel, ziet ze, en ze speelt weer mee.

 

Zo trof hij haar blik op zijn ets.

Met trefzekere genegenheid had hij haar

juist voltooid, in enkele lijnen

krult haar haar door de verbeelding.

 

Nu rust zijn burijn tussen zijn vingers;

hij tuurde net zo lang naar het laatste

detail in zijn spiegel tot zijn schaduw

haar verlicht. Hij speelt het voltooid moment.

 

 

 

 

 

Portret van een vrouw

 

Als ik kon schilderen zou ik me niet bedenken,

ik begon met het venster en de opengeslagen luiken

die afsteken tegen de gepleisterde kasteelmuur.

Ik zou de dalmist vastleggen tussen de heuvels

op deze heldere ochtend, de bossen

in herfstkleur aan de horizon, de bomen

nog groen voor het raam en de roodbruine poes

die het glas niet begrijpt en elke ochtend wacht.

In deze omlijsting zou ze vereeuwigd zijn

door mijn vastbesloten hand.

 

Gevangen in woorden moest ik noodgedwongen

het venster sluiten in mijn verbeelding.

Met haar rug naar het perspectief

zit het kastanjebruin moment aan de keukentafel,

ze kijkt me met groene ogen aan en eet.

Als herinnering kan ik haar naam noemen,

haar trekken zou ik niet weer kunnen geven.

Het is niet het beeld van een toekomst

dat me beweegt in dit zelfportret;

ons uitzicht ontluikt nu, in dit moment.

 

 

 

 

 

Postojnska Jama, 1967

 

De naam staat onder een bewogen foto -

alleen de ervaring van koud water

 

bleef me bij, een neiging

ondanks de waarschuwing mijn hand

 

naast de boot te laten slepen,

de berg in naar druipsteengrotten

 

die ontoegankelijk zijn

in mijn geheugen - hoge gewelven

 

die er mogelijk niet geweest zijn

werden zekerheid zodra het licht uitging

 

om de duisternis te ervaren, en de oerkreet

bij elkaar te blijven - in de stilte klonk

 

het alom druipen, drup na drup

van stalactiet op stalagmiet, bekeken

 

met onschuldige schoolkennis, de vorming

begrepen tijdens de les, de woorden onthouden -

 

uit het massief druppelt de herinnering

zich naar de toekomst - druipsteenformaties

 

maken het geluid zichtbaar van voor

het ontsluiten, van voor de schepping - afzetting,

 

ongemerkt meegenomen in het druipen

waar niemand luistert, zo traag,

 

groeit zich naar zich toe of het zo bedoeld is -

grillige druipsteenzuilen in naamloze kleuren,

 

nu een herinnering aan vlees - het is niet juist

dat we niet om mogen kijken, al verzuilen we

 

ons onbenoembaar op onze plaats,

we hebben de keus en daarmee kiezen we ons

 

op de duur naar ons toe - de foto,

mislukt en bewaard, toont ongemerkt

 

een vroeg besef van het vergeten

dat zich toegroeit naar het onbekende -

 

gewelven in het massief,

ontsloten om rond te kijken

 

op een georganiseerde reis -

ik heb mij daar in verwonderd.

 

 

 

 

 

Foto van een verwaarloosd portaal

 

In een tijd dat de zee een metafoor was

met een verre kust van betekenis,

stond hier ook een uitgang van het eiland.

 

De eeuwendik gekalkte kloostermuur

voert de trap naar het bladderend portaal

met een diepblauwe bladderende poort

 

die een tijdelijk bestaan buitensloot;

ooit een mogelijkheid iets waar te maken.

Zonlicht stroomt over de treden omlaag,

 

ongemerkt bij het betreden. Een trap

en blauwe lucht, dit uitzicht

is te zien door het portaal.

 

De foto was een aarzeling op weg

naar de aanbevolen kapel. Daar

keken we wat rond tussen de iconen.

 

De half-open poort, het eind van een poging,

niet minder dan mogelijk in die tijd,

vormt een oordeel: wie kijkt staat hier stil

 

voor een moment-opname; het portaal

snijdt een blauw vlak uit de lucht, een beeld,

abstract en waar als een gedachte,

 

blijvend als een half-gesloten poort.

 

 

 

 

 

Tuinieren op Niemandsland

 

Stratenmakers hebben sierbestrating gelegd

in voortuintjes van de nieuwbouwwijk.

 

Oorlog bombardeert intussen met beelden

dit nieuwe front uit zijn voldoening.

 

Grijze helden in de roes van een oud verhaal

dragen trots hun wapens uit een brandend dorp.

 

De buren rusten in de zon, hun tuin is klaar;

bij ons draait de zon een dag verder.

 

Met de buurman hebben we dit weekend

de tuinen afgeschut met een rozenscherm.

 

Onder de modder sleurt een geüniformeerde schim

stoffelijke resten uit het prikkeldraad.

 

Ik moet de grond omspitten voor de appelboom

die ik in een opwelling kocht voor mijn lief.

 

Op een oude foto stapt een jonge vrouw

ontkleed voor haar bewaakster uit naar de kuil.

 

De zwart-wit beelden woekeren, vandaag

plant mijn lief nieuwe beelden. Ik schrijf het op:

 

ze wil een tuin vol klimop, vlier, hop, druiven

en aardbeien; zij maakt zich het tuinieren eigen.

 

Met alwetende haat smijt een toekomstig

president potplanten naar het joelend publiek.

 

 

 

 

 

Liefdesliedje

 

Lief, laten we ja zeggen vandaag,

niet als begin en beslist niet als eind,

laten we ja zeggen als vandaag.

Dat zal geen vraag zijn of een breuk,

geen lijm dat een antwoord hecht

aan vandaag. En toch, ja, klinkt

een onmetelijk moment

in dit geluid: willekeur,

ja, druppelt de tijd in bloei,

ja om te vieren, dit, en omdat, ja,

als een echo tussen de dagen.

 

 

 

 

 

Avond in Brussel

 

Slaap zacht, mijn lief, we zijn uit gezworven

door de drukke tijd van de Grote Markt en daarna

door straten onafgebroken verval

waar niemand woont, of zelfs weer wel.

 

Alleen die Kus van Magritte, die ik zag,

dat wil ik je nog vertellen, lief,

die Kus waar ik bij stil bleef staan:

 

een milde hemel, een golvende weide,

wat struiken en als een vlek in het hart

woestijn onder een schroeiende lucht,

een spoor van voorwerpen tot de horizon,

geen mens te zien, en in een ogenblik

omhelst het groen deze troosteloosheid,

zomers groen na een bui en geen mens te zien;

dit raadsel van voor- en achtergrond.

 

Slaap zacht, lief, we besloten de dag

vrijend, en met een Mort Subite. Die Kus

vandaag, mijn lief, vandaag op de nacht.

 

 

 

 

 

De nulmeridiaan van het toeval

 

Nergens kwam hij zo gevaarlijk dicht

bij alledag en een zekere dood

 

als toen hij hen hun god aan hoorde roepen

om herhaling, vruchtbaarheid, vrije tijd.

 

Bij het doorwaden van de laatste nacht

trokken de laatste expeditieleden

 

uit zelfbehoud hun instemming in

niet te weten waar ze aan begonnen -

 

hij zou onredelijk zijn, driftig.

En hij schreef 1996

 

in zijn logboek, in het besef dat dit niet

de nulmeridiaan kon zijn waarop

 

hij zich zal richten. Hij kent

de omstandigheden, de verwachting

 

van een pad, het vertrouwd gevaar, geen doel

om op af te gaan, een zinloze dood.

 

Zijn instrumenten laten het afweten

en hij bepaalt snel wat coördinaten:

 

laat het geen historische dag zijn

vastgelegd voor het nageslacht,

 

laat het geen stap terug zijn,

laat me maar zien wat gebeurt.

 

En hij stapt het toeval in,

op zijn waardering betreedt hij

 

het onbegonnen gebied dat hem

de tijd zal geven om niet te zijn

 

wat hij blijft. Het uitzicht krijgt gestalte,

zo voorstelbaar dat het mogelijk schijnt.

 

 

 

 

 

Sapfo

 

Zo straalt een gezicht dat geen schip

naar Troje dreef. Die duizend schepen

voeren voor je tijd.

 

De bergwind waarvan je zong heeft je zang

verwaaid tot flarden. En ik moet zeggen

dat onvoltooide sprak me aan.

 

Ik vermaak mij wel in die schittering.

Eén god staat aan onze kant: Eros

laat je dansen in jouw tijd.

 

Die weide met dat paard, grazend,

bewaar dat beeld maar, voor later;

in mijn tijd wordt gebouwd.

 

Zo klinkt een stem waar geen god

op danst; zo schijnt die ene toch,

in onze tijd, meedogenloos mogelijk.

 

 

 

 

 

Wereld van jade

 

De vogel van de laatste afstand

naar zijn vrouw legt een ei van jade.

 

Lang is hij niet weg geweest, niet ver,

een wereld van jade verwijderd.

 

Haar ogen zag hij in jade, zijn vogel

vliegt verder tegen de wind.

 

 

 

 

 

Amice

 

Voor je zie je een man met een wit masker.

Hij diagnosticeert zichzelf als clown.

Vanmorgen liep hij een school binnen

om kleuters aan het lachen te maken.

Omdat hij de leerlingen afleidde van de les

riep het onderwijzend personeel de hulp in

van de politie. Hij zat in de cel

toen mijn advies werd ingeroepen;

pogingen van agenten zijn gezicht

af te schminken ter identificatie

leidden tot excessieve agressie.

Toen ik kwam lag hij onder vijf agenten te zingen.

 

De clown weigert zijn naam te noemen.

Ik ben een naam, beweert hij

en uit waanachtige ideeën

dat wij ons een naam noemen

om niet talrijk te heten.

Hij zou de nul zijn in onze miljoenen,

hij is mijn salaris, het zout in mijn wonden;

een naam noemen kleineert de clown.

 

Zijn gedrag blijft over het algemeen weinig coöperatief.

Hij eist van mij een diagnose om te lachen,

hij citeert dichtregels die ik aan moet vullen

omdat ik de menselijke geest moet kennen

in plaats van gestoorde dieren te behandelen.

 

Een autoanamnese is niet te maken;

vragen naar zijn ouders en zijn opvoeding

weert hij af met het verhaal dat hij geboren is

toen de goden zich dood moesten lachen.

Op elke verdere vraag begint hij te zingen.

 

De clown weigert de neuroleptica

die ik hem aanbied en smeekt om lachgas.

Hij onttrekt zich voorlopig

aan de categorieën van DSM-IV

en ik adviseer een strikt separeerbeleid

zo lang we geen beter beeld van hem krijgen

en zijn irrationele agressie dreigt.

 

 

 

 

 

Huwelijksportret

 

Zie ze daar zitten, de Archeologen,

met zijn tweeën aan het eind van een tijd,

 

zie hoe zij op hun huwelijksportret

poseren als twee mensen op hun best.

 

Zo vertrouwd is het beeld waarmee zij

denken te belichamen wat hen bindt:

 

zie hoe de ovaal van hun hoofd volmaakt

gezichtloos kan zijn, en klassiek van vorm,

 

niets verraadt wie hij is, of zij, alleen

een lichte neiging houdt hen bij elkaar

 

en zijn hand op haar schouder vanzelfsprekend,

dat gebaar is helder als een antwoord.

 

Voor de gelegenheid zijn ze gehuld

in voorbeeldige klassieke gewaden,

 

haar purperen kleed plooit zich om haar heen,

zijn witte tunica geeft hem gezag;

 

in hun dubbelrol van archeoloog

en eega spreken ze tot de verbeelding.

 

Hun huwelijk zal hen bewaren voor

de vormloze eenzaamheid, voor een tijd

 

van niets; zie dus de tempel voor haar hart,

een dichtgemetselde spelonk daarachter,

 

een verbrokkelde zuil tussen de rotsen,

en hij: aquaduct, fronton, zuil, wit huis;

 

zie ook dat haar oudheid meer kleur laat zien

dan zijn wit-marmeren interpretatie.

 

Zie hoe de tijd een rol speelt in hun werk

tot ook zij uit zullen monden in niets

 

en zie de liefde van een klassiek soort,

wat zij opdolven was de vorm, niet meer,

 

waar mensen voor stierven, waar zij voor leefden;

wat hen rest na het werk is slechts geluk.

 

 

 

 

 

Johnny Bosnië

 

De luchtdruk dreunde dof,

vijf keer achter elkaar;

de moslims werden door

het mijnenveld gedreven,

juist buiten de compound.

 

Het komt nog in het nieuws

om de vijf jaar. Drie maanden

in vijfennegentig

was ik erbij, want ik

ben Johnny Bosnië.

 

Die middag onder vuur

reed ik mijn truck omver

met zestien van mijn maten

en ik zat klem. Mijn schuld.

 

Mijn verloofde was trots

op mij toen ik vertrok,

maar ik was een lafaard

toen ze alles verbrak.

“Lafaards van Lima 4.”

 

Het komt nog in het nieuws

om de vijf jaar. Drie maanden

was ik erbij en nu

heet ik Johnny Bosnië.

 

Dronken op de heftruck

door de melkfabriek heen

scheuren met volle lading,

zo kreeg ik mijn bijnaam

en ontslag in een maand.

 

“Johnny, het is weer tijd.”

Als de verpleging roept

noemen zij me ook zo:

“Johnny, de blauwe deur.”

 

Het komt nog in het nieuws

om de vijf jaar. Drie maanden

in vijfennegentig

was ik erbij. Noem mij

maar Johnny Bosnië.

 

We moesten op wacht staan

toen ze de graven openden,

dat weet ik nog heel goed,

al die vreemde gezichten

van buiten de compound.

 

 

 

 

 

In The Face of Mine Enemy

 

Begin van de nacht na een late dienst.

Zappen om slaap te krijgen.

Het getto van Warschau voor de opstand.

Rachel wordt opgehaald door soldaten.

Ze moet de nacht doorbrengen met een kapitein.

Rachels vader kijkt toe. Hij is rabbi.

Het wordt haar eerste keer.

Soldaten brengen haar terug naar huis.

Ze kruipt in bed met haar zwarte kleren.

Ze kan niet slapen. Ze is stil.

Ze huppelt onbelemmerd door het beeld.

Ze trekt het bandje van haar zwarte jurkje

even op als het afzakt van haar schouder.

Ze gooit haar blonde haar naar achter als ze lacht.

Onderbreking voor commerciële boodschappen.

Nulzeshóóónderd Viernégen Négenvier.

De heetste nummertjes van Nederland.

Nulzeshóóónderd Viernégen Négenvier.

En als je klaar bent, hang je op.

Kom maar. Toets direct je keus.

“Het is niet nacht. Er is geen kou.”

Even onaangekondigd vervolgt

de rabbi de verzoeking van zijn god:

“Het is niet oorlog. Er is geen dood.”

In het aangezicht van zijn vijand.

“Jullie komen morgen niet in opstand.”

Het is te laat om me op te winden.

Het is te laat om te bellen. Welterusten.

Het is te laat om verder te kijken.

En, laten we redelijk blijven, zonder

dit marketingmoment geen nachtfilm; niets

dwingt ons verder te kijken in de nacht.

 

 

 

 

 

Aanwijzingen bij het africhten

 

Een jonge hond met verbeelding

voelt zich mens. Zijn eerste daad

wordt een verrichting, zijn gegeven naam

vergeet hij nu hij zich benoemt

tot baas over zijn hondenleven.

Zijn teef noemt hij geliefde,

en hoe vaak hij haar ook dekt

zijn teef noemt hij geliefde,

al vergeet zijn aard hem niet.

 

Zijn blik richt zijn bestaan in.

 

Zijn geliefde heet onbereikbaar,

zijn verbeelding vormt zijn teef.

Hij kwijlt en rijdt tegen het beste

het eerste been dat hem los schopt.

Zijn gekerm is geen gehoor,

zijn aard heeft hem niet verlaten.

De hond is afgericht nu, volwassen

zou hij zeggen, maar dat woord kent geen hond;

er gaat niets boven hondenbrokken.

 

 

 

 

 

Tumulus de Barnenez

 

* 1 *

 

In mijn geheugen vind ik nooit wat ik zoek.

Vandaag probeer ik mij

 

de Tumulus de Barnenez voor te stellen.

Niet de steenheuvel

 

bedoel ik, die als een omgeslagen scheepskiel

op onze foto's

 

is gestrand, een wrak uit een zee van tijd.

Ik wil mij de passages

 

herinneren die afgesloten waren

onder het grafcomplex.

 

Was er iets dat ik dacht

te kunnen horen in dit stenen tijdperk.

 

 

* 2 *

 

Rond de Tumulus de Barnenez

is het gras keurig gemaaid

 

in een uitdraaiende spiraal

op de heuveltop met zee rondom.

 

Een blik in de doorgang openbaart

niets nieuws, geen zee, geen helder licht,

 

alleen uitzicht op pas gemaaid gras,

dat herinner ik mij nog wel.

 

Het uitzicht bracht me op een vraag

die toonloos doorzong in me zodat

 

ik in de tussentijd nooit

de Tumulus de Barnenez vergat.

 

 

 

 

 

* 3 *

 

Het blijft telwerk, de beloftes

vergruizeld in dit tumult van steen.

 

Zal het uitzicht gemaaid gras zijn?

Wat is de maat, ja, dat was de vraag

 

zonder antwoord. In de doorgang klinkt

geen verhaal van doden meer door,

 

hadden ze al een naam gekregen,

hadden ze hun naam al gemaakt,

 

dan ging die op in één

van de passages om de geest te geven,

 

in alle respect bedoel ik, in

de Tumulus de Barnenez.

 

 

 

 

 

 

* 4 *

 

Zorg goed voor je zelf, mijn lief,

en ga naar huis, je verdriet maakt me koud.

 

De zee laat slechts haar golfslag horen

en jij je toonloze verdriet.

 

Laat het gras rondom maar groeien

en laat ons maar zingen met jouw stem.

 

Een dier beet mij dood, ziekte brak mij,

of een god strafte mij misschien,

 

de hemel stortte zich op mij,

ik ontwaakte naast jou in de nacht.

 

In mij gaat de woeste tijd te keer,

beloof me, liefste, dat jij zingt.

 

11 - 14 september 2001

 

 

 

 

 

Aubade

 

* 1 *

 

De dag begint goed. De krant bezorgt

wat toeval van vorige dag:

 

Bombardement op Afghanistan.

Vrede in Ulster. Champions League.

 

Nadromend aan het ontbijt verstrooit

het nieuws de orde van de dag,

 

met uit Bradford een foto

die een lokale misstand illustreert:

 

een grauwe plaats, ommuurd, achtertuin

tussen verveloze huizen

 

waar een paar meisjes dansen.

Pakistaans. Hindoestaans. Wat maakt het uit.

 

 

* 2 *

 

De nimfen van deze plaats dansen

rond en rond in een aftelvers

 

en hun haar danst achter hen aan, sneller

op elke tel, hand in hand,

 

voelen ze de adem van de wind,

de ogen volgen de voeten,

 

dichter op elke tel, betoverend

rond, tel na tel, hou vast, tot

 

alle ogen stijf dicht gaan om rond

te zwieren in de opwinding

 

voor de tel waarop hun lach losbreekt,

hun schaduw danst hen achterna.

 

 

 

 

 

 

* 31 *

 

Het menselijk tekort op een plaats

die ooit een beweging voortbracht

 

met een historisch noodzakelijk doel,

maakt een wereld van verschil

 

met de verzorgde siertuinen

van onze wijk waar tweeverdieners

 

in hun auto de kinderen

aan het begin van elke werkdag

 

naar een crèche of school toe rijden

die aan alle voorschriften voldoet,

 

daar dansen hun kinderen tijdens de les

Bewegen Op Muziek.

 

 

 

 

 

* 4 *

 

De zon schijnt ongedateerd licht

op de betonvloer achter hun huis.

 

Maar goed, de tijd verloopt als in mijn jeugd,

volken trekken rond op zoek,

 

generaties verwekken hun toekomst

op weg naar goede tijden

 

met een middelpuntvliedende kracht

die mij ook snel op zal breken,

 

en zonder meisje met mijn naam

dat voor mij danst als een bron van hoop.

 

Niets houdt ons meer vast dan deze dans.

Nimfen tuimelen in het rond.

 

 

 

 

 

 

Duetto da Camara

 

Dit moet het recept zijn voor geluk.

“Ik ga een cake bakken, denk ik.”

 

“Zal ik dan wat muziek opzetten?”

Luister eens:” M’hai da piangere

 

Wat een rijkdom, deze tijd,

om kamerduetten van Steffani

 

te spelen, zonder noodzaak

te zijn geboren in het rijke huis

 

van een machtige streek.

M’hai da piangere un di, fa quanto vuoi

 

De keukenmachine slaat beslag -

met stiltes om afgewogen

 

ingrediënten toe te voegen -

net zo lang tot het luchtig is.

 

“Proef eens.” De spatel wordt krachtig

afgeslagen, de ovendeur klikt

 

dicht achter het deeg, laag vuur

zal een uur suizen voor de cake gaar is.

 

Io voler non cangerò zingen

de sopraan en contratenor

 

door tot het da capo M’hai da piangere

un di, fa quanto vuoi

 

 

 

 

 

 

De eerste vrouw

 

Een man had niets beters te doen.

Had hij een wijfje? Had hij jongen?

 

Zijn spoor toont dat niet. Dat spoor

vormt hoogstens de eerste zichtbare stap

 

in het vruchteloze gebied

dat wij later zijn gaan ontginnen.

 

In een volk van rendierjagers kon hij

lijfelijk worden gemist,

 

hij was de werktuigmaker

die vuursteen wist te bewerken tot pijl.

 

De jacht en de jaarlijkse trek

zullen hem niet hebben getrokken

 

en na de laatste ijstijd moet hij veel

koude tijd hebben gezien

 

in het kamp op de zandgronden

waar zij wisten te overleven.

 

Op de slagsteen die hij overal

met zich meedroeg kraste hij maar

 

de vroege vormen van een vrouw:

vage armen en benen zetten

 

een vage dans in, op het gereedschap

danst de vrouw voor zijn ogen.

 

De jacht heeft zich verplaatst sindsdien.

Een verre voorloper wierp zijn spoor

 

vooruit in de Lage Landen,

een vroege homo poëticus.

 

 

 

 

 

Tristitia post coïtum

 

Ik hoop niet dat mijn stoffelijke resten

lang rond blijven slingeren na mijn dood.

 

Het liefdesleven in dit moment dooft

als een archeoloog mijn overschot

 

over zo’n 2000 jaar a.h.w.

open laat snijden ter analyse

 

van de maaginhoud: een gekookt scharrelei

en zelfgebakken brood met boerenkaas,

 

en speculeert over de relatie tussen

voeding en vrije tijd in het bestaan

 

van een man van naar schatting midden vijftig

met nog onbekende identiteit

 

uit de Laat Moderne Tijd - of was het

al de Vroeg Eigentijdse Periode -

 

met een druk bestaan en een vrije zondag

met ontbijt en – voorzichtige hypothese –

 

sporen van overjarig paringsgedrag –

duidt het aroma van espresso op een ritueel?

 

Het is een feit dat de groei van ons brein

de maag manieren heeft geleerd,

 

etenstijd heeft zich in de evolutie

van de mens tot momenten beperkt.

 

Gelukkig is de kans dat iets als mijn maag mij

overleeft - hoewel niet afwezig – minimaal.

 

Nu de lichamen hun werk hebben gedaan

vieren we nahijgend ons zelfbeeld:

 

twee dieren oog in oog aan het ontbijt

geven hun ogen goddelijk de kost.

 

 

 

 

 

Wederkomst

 

Gods meedogenloze liefde

maakte zich tenslotte waar:

 

onopgemerkt door hemzelf

heeft Hij Gerard Reve

vlak na zonsondergang

tot Zich genomen voor de nacht,

in lijkstijve stand.

 

Het is een week voor Pasen.

Weerzinwekkend werkt Hij toe

naar Zijn rottend hoogtepunt.

 

Met schrik schuiven stoelen achteruit, gelovigen stuiven

vol God uiteen en de media vatten de begrafenis samen

in een flits van de lijkstoet uit het dorp met zwijgend gevolg

langs nieuwbouwhuizen, de rolluiken zijn half neergelaten,

langs de supermarkt met een Video in de aanbieding

van onuitputtelijk haardvuur om de geest te verwarmen

met de paasdagen, de lente blijft uit dit jaar, de lucht is leigrijs,

de straat blijft zonloos, verbindingen verbreken en de camera zoomt

in naar de begraafplaats, wat bekende gezichten aan het graf

bespreken afwezigen en aan het eind houden

zelfs krachten ons hier niet bijeen.

 

Wij behelpen ons met poppenkast

tegen de nachtelijke achtergrond.

 

Voer Gerard Reve op vandaag,

hij werpt opmerkelijk licht.

 

 

 

 

 

In Memoriam Jan Eijkelboom

 

Al blijft de stroom voortdurend,

de Mededinger uit Wemeldinghe

vaart meer dan zijn tijd vol.

Jan Eijkelboom blijft mij bij.

 

Beiden zijn we verhuisd vandaag,

hij woonde bij de Oude,

ik nu aan de Nieuwe Maas.

Anders kan ik het water niet benoemen.

 

Jan Eijkelboom is teruggevallen

in de stroom die hij benoemde.

De zon die met zacht licht ondergaat

zal ook vandaag niet blijvend zijn.

 

We zijn verhuisd, het huis staat vol dozen.

De verhuizing dreef ons welwillend

van de ene plaats naar de andere.

Niets heeft nog zijn plaats, de nacht valt over de Maas.

 

 

 

 

 

Aan de Nieuwe Maas

 

Sprakeloos uitzicht –

Maas, haven, zeeschepen onder kranen –

 

de late zon onverschillig daarachter,

goud licht, schaduwspel, schittering

 

op de trage getijdenstroom,

hier mensenwerk.

 

 

            * * *

 

Onmondig inzicht –

het uitzicht zet ons samen voor het raam,

 

meer zicht laat zich niet horen -

we laten de Maas voor wat zij is,

 

trage getijdenstroom

of mensenwerk.

 

 

            * * *

 

Spraakmakende nacht –

verlichte zeeschepen onder verlichte kranen

 

waar de overslag zich volcontinu voltrekt –

een onverlichte aak voert zijn vracht

 

over de donkere getijdenstroom

in alledaags werk.

 

 

 

 

 

For Harry Blackburn who loved the Isles (1914-1981)

 

Beter dan water is licht

voor ons dat water vorm geeft;

de zee schittert hooguit.

 

Voor de gestorvenen

vormde het eiland

hun geliefde tijd,

 

om te leven natuurlijk,

om er te beminnen

en de zee te zien.

 

Licht eert de zee

die de eilanden omhult,

houdt eilanden in het zicht,

 

schimmen en contouren

later op de dag

in een azuurblauw labyrint.

 

Licht eert de zee

met een laatste gloed

die alles overspoelt,

 

en zet een bank neer

voor Harry Blackburn,

die uitkijkt over zee.